LICHT

 

Clair-Obscur: Sterk contrast tussen licht en donker. Het felle licht tegen een donkere achtergrond zorgt voor een dramatisch effect, zoals in de afbeeldingen hierboven.

 


Zijlicht: Het licht komt van rechts of links de afbeelding in, hierdoor ontstaat er aan de andere kant schaduw op de voorwerpen in de afbeelding.

 

Gebundeld licht: Een sterke concentratie van licht gericht op een kleine oppervlakte.

 

Verspreid licht (de lichtbron is niet duidelijk) of Diffuus licht: Er zijn geen schaduwen te zien, omdat het licht van alle kanten komt (vaak bij bewolking).

 

Tegenlicht: Het licht schijnt je als kijker in de ogen. Het gevolg is vaak dat de voorwerpen te zien zijn als een silhouet, een donkere vorm tegen het licht in.

 

Meelicht: Het licht gaat met de kijker mee de afbeelding in. Hierdoor ontstaan er slagschaduwen achter de voorwerpen in de afbeelding.

 

Strijklicht: De schaduw is lang, het licht valt laag over de grond/aarde.

 

Weerspiegeling: Een gedeelte van de voorstelling wordt weerspiegeld in water of een glad oppervlak.

 

Schaduwsoorten

Slagschaduw: De schaduw die een voorwerp of persoon 'werpt' (maakt) op een ondergrond of achtergrond. Dit kan een ander voorwerp, persoon of de grond zijn.

 

 

Gebroken schaduw: De slagschaduw is gebroken. Een gedeelte van de slagschaduw loopt bijvoorbeeld op de grond, terwijl een ander gedeelte van de schaduw doorloopt op de muur.

 

 

Eigen schaduw: Dit is de schaduw die op het voorwerp of persoon zelf aanwezig is. Bijvoorbeeld: de zon schijnt op een kant van de paal dan is die kant licht en de andere kant donker. Die donkerte is de eigen schaduw van de paal.

 

Kernschaduw: Het donkerste gedeelte van de schaduw, daar waar geen enkel licht doordringt.

Halfschaduw: Het halfdonkere gedeelte van de schaduw die ligt tussen de kernschaduw en het licht.